Vakantiegevoel

Naarmate het zomerseizoen dichterbij komt krijgt onrust omtrent de invulling van de komende vrije dagen zijn weerslag in de berichtgeving van de media. In de afgelopen maanden werden de nieuwsrubrieken en praatprogramma’s gedomineerd door discussies over de juiste aanpak van de COVID-19 pandemie. Als de maatregelen om de verspreiding van het coronavirus in te dammen succesvol (b)lijken wordt voor veel landgenoten het doorgaan van de geplande vakantie de voornaamste zorg. Virologen en zorgverleners raken op de achtergrond ten gunste van organisatoren van vakantiereizen.

“Men gaat op reis om thuis te komen” is een gevleugelde uitspraak van de schrijver Godfried Bomans (1913-1971). In die zin is er voor mij bij de reizen naar en van Terschelling sprake van twee keer thuiskomen. De heenreis brengt me telkens weer terug naar mijn geboortegrond. De omgeving is vertrouwd en toch is het elke keer weer anders. Het decor van Terschelling biedt veel afwisseling: de haven van West, de dorpen, de polder, het bos, de duinen, het strand en het wad. De sfeer is relaxed.

In de drie weken die verlopen zijn sinds mijn vorige verblijf is het aanzienlijk drukker geworden. Op de boot zijn mondkapjes verplicht, op Terschelling zijn de mensen die ze dragen op de vingers van één hand te tellen. Alleen bij de supermarkten en sommige horecagelegenheden herinneren toezichthouders bij de ingang ons eraan dat het zaak is gepaste afstand te houden en slechts een beperkt aantal klanten tegelijkertijd toegelaten wordt.

De eerste 10 dagen zit ik alleen in Topaas. Wel heb ik regelmatig contact met Wim en Puck die een dag na mij gearriveerd zijn en Marianne die op Terschelling woont. De laatste eet voor de gezelligheid mee als ik ons vlak na aankomst in Topaas de meegenomen maaltijd voorschotel. Wim en Puck vraag ik de volgende dag of ze willen mee-eten nadat ze hun auto hebben uitgepakt.

In en om Topaas doe ik enkele (schoonmaak-)klusjes, lees wat en schrijf op mijn blog over mijn vorige verblijf op Terschelling. Ik maak plannen voor fiets- en wandeltochten. De auto laat ik meestentijds onaangeroerd op de parkeerplaats als ik op Terschelling ben.

Vogels rondom Topaas

In Emmen heb ik nog een statief gekocht. Nu ben ik niet van plan dat op elke tocht mee te zeulen, maar bij het fotograferen van foeragerende vogels op het Wad vanaf de dijk komt zo’n hulpmiddel vast nog wel van pas. Het terras van Topaas is een mooie plek om ermee te oefenen. Bij de poel komen regelmatig vogels drinken, op het kale zand rennen kwikstaarten achter prooien aan. Zwaluwen vliegen behendig op jacht naar insecten boven de duinvallei.

En natuurlijk geeft Gerrit regelmatig acte de présence. Gerrit zult u zeggen? Wie is dat nu weer?
In het winterhalfjaar is hij in geen velden of wegen te bekennen, maar ‘s zomers meldt hij zich dagelijks meerdere malen. Gerrit is de Zilvermeeuw die we jaren geleden zijn naam hebben gegeven. Hij heeft een fijne neus voor de momenten dat tijdelijke bewoners van Topaas met lekkere hapjes op het terras zitten. De pondkoek bij de koffie kun je geen ogenblik onbeheerd achterlaten want dan is die gezien.

Gerrit op 14 juli 2014, zeer gecharmeerd van de bloemen die we hebben meegebracht

Wanneer we hem Gerrit hebben gedoopt is moeilijk te achterhalen, al weet ik wel dat Anky hem op een gegeven moment zo noemde in één van de gastenboeken. Zijn portret fleurt de wand van een slaapkamer op. Ook voor de vaste gasten is Gerrit een vertrouwde verschijning.

Dit jaar zag ik hem regelmatig in gezelschap van een partner. “Wordfeud Jannie” suggereerde voor zijn wederhelft de naam Geertruida, dat leek mij wel passend. Geertruida is de enige soortgenoot die Gerrit in zijn nabijheid duldt als er iets te eten valt. Ik heb de indruk dat het echtpaar kinderloos is. In elk geval zag ik nooit kroost bij het stel.

De poel, waarbij op Gerrits foto uit 2014 rondom nog veel begroeiing te zien is, fungeert in het voorjaar als broedplaats van Rugstreeppadden. Van april tot in juli zingen ze regelmatig massaal in koor na zonsondergang. Op 11 juli maakte ik hiervan nog deze opname👈.

Een paartje Holenduiven komt dagelijks meermalen langs om hun dorst te lessen. Andere vogels nemen er een bad.

Ook het echtpaar Zilvermeeuw komt regelmatig de dorst lessen

Het voert te ver om een complete opsomming te geven van wat er zoal voorbijkomt gedurende mijn verblijf. Laat dus de foto’s voor zichzelf spreken.

Achter de Dwarsdijk

De Dwarsdijk markeert in zekere zin het einde van de bewoonde wereld op Terschelling. In het buitendijkse gebied erachter ligt alleen nog de boerderij van Daan Pootjes en vlakbij het Wad de Wierschuur. Ik beschreef de wandeling die we er in juni maakten aan het slot van mijn bericht Oerolweek zonder Oerol👈.

Eigenlijk heb ik het gebied herontdekt toen ik in november 2018 met Jan een wandeling maakte in de nasleep van zijn succesvolle deelname een paar dagen ervoor aan de “Berenloop”. Zijn persoonlijke recordtijd op deze marathon, 2h54m02s, was goed voor de derde plaats, maar dit terzijde.

Er loopt hier geen fietspad, dus te voet verkennen is de enige serieuze optie. Al hebben Wim en ik in een ver verleden op een mooie zomerdag een poging gedaan per fiets langs het Wad de Boschplaat te bereiken. De missie strandde hopeloos voor één van de slenken. Wel herinner ik me dat we toen geprobeerd hebben een stervende Zilvermeeuw door onderdompeling uit zijn lijden te verlossen. Ik huiver nog als ik eraan terugdenk.

Onze smalende reactie op de mededeling van mevrouw van Hulsenbeek, enige jaren met haar gezin vaste gast in “Schoonoord” totdat mijn vader voor hen de zomerwoning “Zeeduiker” in Midsland aan Zee bouwde, dat ze per auto naar het gebied op weg was om er te wandelen neem ik terug. De onderliggende gedachte dat je alleen vanuit huis voettochten onderneemt beschouw ik nu als hopeloos achterhaald.

Het is voor mij dus een uitgemaakte zaak dat ik deze keer nogmaals het gebied ga bezoeken, temeer omdat ik in juni bij het Jollemabosje ook Grauwe Vliegenvangers heb gezien. Goede foto’s maken lukte toen niet maar deze keer heb ik wel succes.

Grauwe Vliegenvangers zie ik niet jaarlijks. Het meest is me nog de keer bijgebleven dat een vogel op doortrek een aantal septemberdagen in de tuin van onze vorige woning bivakkeerde. Vanaf een vast punt voerde de Grauwe Vliegenvanger voedselvluchten uit. Aan deze succesvolle techniek om hun vliegende prooi te bemachtigen danken ze hun naam.

In deze tijd springt ook de uitbundig bloeiende Lamsoor in het oog. Deze zoutminnende plant kleurt de kwelder her en der paars. Ook Zeekraal vindt er vruchtbare bodem.

Lamsoor in trek bij vlinders en andere insecten

Een paar weken later wandel ik er opnieuw, nu in gezelschap van Nora, Jan en Stijn. Het is een zonovergoten dag en omdat het hoogwater is moeten we af en toe van het pad afwijken om droge voeten te houden.

De Graspieper die ik een maand geleden hier fotografeerde is ook nu nog prominent aanwezig. Omdat ik deze keer opnieuw de telelens op de camera heb geschroefd kan ik het niet laten de vogel andermaal te portretteren. Misschien is hij aan een nieuw broedsel begonnen.

Graspieper, Korte Bisteen, 4 augustus 2020

Ook voor andere vogels is deze omgeving een aantrekkelijk broedgebied gezien de regelmaat waarmee ik ook juvenielen zie. Soms is het lastig om aan de hand van het jeugdkleed vast te stellen om welke soort het gaat. Ook het determineren in de vlucht is bij het kleine grut lang niet altijd eenvoudig.

Nadat we de eerste eendenkooien ruimschoots gepasseerd zijn komt een stel Duitse wandelaars ons achterop. Ze spreken mij aan. Of ik misschien de zonnekap van mijn fototoestel heb verloren? Verbaasd constateer ik dat dat inderdaad het geval is. Ze hadden hem gevonden en op een paaltje neergelegd. Ik bedank hen en zeg dat we op de terugweg het attribuut hopelijk kunnen oppikken. Omdat we bij de terugtocht het laatste deel via een ander traject willen lopen, houden Nora, Stijn en ik bij een splitsing rechts aan en volgt Jan hardlopend nog eens het spoor terug tot bij het Wad. Als hij zich weer bij ons voegt blijkt dat hij de zonnekap niet heeft kunnen vinden. Jammer dan.

Onderweg naar de auto krijgt Stijn nog een flesje

Ik loop voor we de parkeerplaats weer bereiken nog een klein stukje van het begintraject, speur met de telelens wat paaltjes af, maar geef de zoektocht dan maar op.

Op weg naar Topaas maken we nog een tussenstop in Formerum om bij de “Rustende Jager” te lunchen. Het verlies van de zonnekap zit me toch niet lekker. Daarom besluit ik na terugkeer bij Topaas alleen rechtsomkeer te maken en nog eens het eerste deel van het ochtendtraject langs te lopen. Het water heeft zich teruggetrokken en een gids geeft er een rondleiding.

Als ik de groep bereik zie ik tot mijn grote vreugde de zonnekap ongeschonden op een paaltje liggen. Ik moet hem die ochtend verloren hebben toen ik over het prikkeldraad ben gestapt naar het wat hoger gelegen grasland om natte voeten te voorkomen.

Ik vertel de gids dat ik de zonnekap een paar uur eerder was kwijtgeraakt, waarop hij me erop wijst dat een bijkomend voordeel is dat ik nogmaals van dit prachtige gebied kan genieten. Hij heeft gelijk. Daarom besluit ik niet op mijn schreden terug te keren, maar de rondwandeling te voltooien via een pad voorbij het Jollemabosje dat ik de vorige keren links heb laten liggen. Het brengt me in de Berkenvallei waar op diverse plekken de heide volop in bloei staat en daarbij een aangename geur verspreidt.

Aan het eind van mijn rondgang maak ik vanaf de Dwarsdijk nog enkele foto’s, ondermeer van het droogvallende Wad.

Binnendijks en buitendijks

Het fietspad langs de dijk dat vanaf de haven van West tot aan de Dwarsdijk loopt en over de hele lengte uitzicht biedt op het Wad neem ik graag voor een deel op in mijn rondritten over het eiland. Vanuit Topaas is een fietstocht via Midsland naar de dijkovergang bij Striep (Seerijp) de kortste weg ernaartoe. Op die plek heb je al een prachtig uitzicht op de kwelder enerzijds en de polder anderzijds. Afhankelijk van de windrichting besluit ik dan vaak of ik oost- of westwaarts zal fietsen.

Op de laatste julidag zie ik dat de binnendijkse plas in de Seerijper polder compleet verdampt is. Een eenzame roodbonte koe zoekt of er nog iets te grazen valt. Een kleine twee weken ervoor was ik er in de hoop alsnog de Zwarte Ibis die ik in de Oerolweek net gemist had aan te treffen. Op deze toen al zichtbaar verdrogende plek was echter een tamelijk forse steltloper de meest opmerkelijke verschijning. Een Vlaamse familie die halt hield toen ze me met mijn fototoestel in de weer zagen moest ik op dat moment het antwoord op hun vraag naar de soortnaam schuldig blijven.

Thuisgekomen kom ik tot de slotsom dat we een Kanoetstrandloper zagen. Het zijn vogels die op doortrek meestal in grote groepen korte tijd op het Wad verblijven en op grote afstand moeilijk voor de onervaren Wadvogelaar te determineren zijn. Ook Bonte Strandlopers trekken vaak in enorme aantallen groepsgewijs over het Wad.

In dit geval zal de herkenning mede bemoeilijkt zijn doordat bij deze vogel geen spoor van het zomerkleed te bespeuren is.

Na mijn succesvolle zoektocht naar de verloren zonnekap en de daaropvolgende wandeling had ik aan het eind van de middag nog wat tijd over om vanaf de dijk bij Striep vliegende Huiszwaluwen te fotograferen. Die maken het je niet gemakkelijk door hun snelheid en geringe omvang. Toch levert het een paar plaatjes op die de moeite waard zijn.

Vanwege het laagtij zijn er weinig andere vogels te zien. Dat was een paar weken toen ik er rond hoogtij was wel anders. Grote zwermen Rosse Grutto’s en Wulpen vlogen naar de polder om daar te rusten.

Als ik op 19 juli langs de waddendijk oostwaarts fiets, steek ik ter hoogte van de Formerumer Wiel de dijk over om mijn weg aan de polderzijde te vervolgen. Daar betrap ik een foeragerende Lepelaar in een sloot. Zo dichtbij was ik niet eerder.

Mijn rit op 31 juli voert me westwaarts. Ook dan spot ik lepelaars, maar nu op het wad. Sommigen in een groep, anderen in hun eentje.

Lepelaar, 31 juli 2020, Wad bij de Stortumerdijk

Binnendijks zijn al opvallend veel Spreeuwen in hun gespikkelde herfst- en winteroutfit te zien en te horen. Vooral een luid zingend exemplaar in het gras lijkt bijzonder goed gehumeurd.

Een Rotgans verrast mij door zijn aanwezigheid. Deze uitgesproken wintergast hoort nu eigenlijk bij zijn soortgenoten in hun arctische broedgebieden te zijn. De vogel zag kennelijk de lange tocht ernaartoe dit jaar niet zitten.

Nabij de vijver aan de rand van het industrieterrein is een Grauwe Gans met een halsring een opmerkelijke verschijning. Zo’n gemerkte vogel blijft toch een gek gezicht.

Een mooi uitzicht op de baai van West-Terschelling heb ik vanaf de pier bij de door Yaël Artsi-Moyal ontworpen sculpturen Beelden uit Zee👈, een geschenk aan Terschelling ter gelegenheid van het 25ste Oerol Festival in 2006.

Baai van West Terschelling, 31 juli 2020

Vanuit een ander perspectief zien we de baai nadat ik met Jan, Nora en Stijn een wandeling over de Tigerstelling heb gemaakt en we via het fietspad weer onderweg zijn naar ons vertrekpunt.

Een mooie indruk van het landschap rondom de Stortumerdijk geeft het filmpje dat ik op 3 augustus vanaf die plek maak. Terschelling ligt volop in de zon, terwijl boven het vasteland prachtige stapelwolken te zien zijn.

Duin, bos en ook weer Wad

Topaas” ligt aan de binnenrand van het duingebied dat zich uitstrekt van de Noordsvaarder in het westen tot het Amelander Gat op de oostpunt van Terschelling. In beide richtingen zijn fietspaden aangelegd waar ook ik gretig gebruik van maak bij mijn zwerftochten.

Zo kun je bijvoorbeeld langs het Waterplak door de duinen naar West aan Zee fietsen. Vandaar volg ik de Longway met aan de rechterkant de duinvallei Eldorado waar grote grazers de vegetatie in toom houden. Op één van mijn tochten word ik iets verderop bij een stukje naaldbos verrast door een koppel loslopende paarden. Wildroosters in het fietspad en een omheining voorkomen dat ze zich ongebreideld over het eiland verspreiden.

Als ik een klein eindje verderop bij een driesprong rechts aanhoud kom ik langs het Griltjeplak. Op internet vind ik uitleg over de naam:

Duinvalleien worden op Terschelling aangeduid met ‘plak’. Griltje is de eilander naam voor Strandplevier. Griltjeplak is dus de vallei van het Strandpleviertje. Een Strandplevier is een broedvogel van kale strandvlaktes. Vroeger is het Griltjeplak zo’n strandvlakte geweest. Het is een primaire duinvallei, die is ontstaan toen een nieuwe zeereep het gebied afsloot van de zee. Nu is het Griltjeplak begroeid, en de strandplevier broedt er al lang niet meer. Alleen de naam herinnert nog aan het vogeltje. Bron: waddenzeeschool 👈.

Het fietspad buigt af naar het Donkere Bos en leidt uiteindelijk naar het Groene Strand. Vandaar kan men ter hoogte van het restaurant “De Walvis” in westelijke richting Vlieland zien liggen.

De fotocollage hieronder geeft een indruk van de diversiteit die fietsers tijdens deze rit kunnen ervaren.

Mijn goede vriendin Esther komt een paar dagen logeren. Nadat ik haar rond het middaguur met de auto van de boot haal, rijden we eerst naar Topaas. Daar kan ze bijkomen van de reis met koffie, opgespoten pondkoek en een eenvoudige lunch. Ze stemt van harte in met mijn voorstel de eerste middag meteen maar eens flink eind te fietsen.

We rijden over het fietspad van de Heereweg naar de badweg van Formerum. Daar aangekomen gaan we in noordelijke richting om net voor de strandovergang af te slaan naar het fietspad door de duinen👈 .
De link verwijst naar het filmpje dat ook al in mijn beschrijving van de Oerolweek zonder Oerol👈 ter sprake kwam. Stevig doorfietsend langs het Formerumerbos en de Natuurschuur van Staatsbosbeheer bij Lies bereiken we de badweg van Hoorn die vrijwel over de hele lengte door het bos gaat.

We volgen de badweg bijna tot het eind. Een paar honderd meter voor paviljoen “Kaap Hoorn” nemen we echter het fietspad naar de Oosterender Badweg. Een bezoek aan het strand van Hoorn volgt pas twee dagen later. Bij die gelegenheid maak ik op de duinovergang een “sprongfoto” van Esther. Haar actie symboliseert mooi het vakantiegevoel dat je onontkoombaar bekruipt in deze entourage.

Een indruk van het traject door het Hoornse Bos als je terugrijdt vanaf “Kaap Hoorn” geeft het volgende filmpje👈.

Maar vandaag fietsen we dus oostwaarts het bos weer uit en komen in het landschap dat op de achtergrond van Esthers actiefoto zichtbaar is. Aangekomen bij de badweg van Oosterend kiezen we er opnieuw voor niet het strand op te gaan, maar het fietspad tot het begin van de Boschplaat te volgen. Vanaf dat punt kun je alleen nog via een karrenspoor verder. Dus parkeren we net als veel anderen onze fietsen om daar een kijkje op het strand te nemen.

Als we door het mulle zand het strandduin beklimmen hoor ik opeens: “Meneer Smit?”.

Iemand komt ons tegemoet die mij kennelijk kent maar ik herken hem niet.

“Ik heb les van u gehad.”

Ik vermoedde wel zoiets. Een vergelijkbare situatie beschreef ik jaren geleden al eens in mijn blogbericht “geheugen” 👈.

Help me even op je naam te komen“.

Hanno Hardenbol.”

Meteen gaat bij me een lichtje branden. En passant opent mijn brein een luikje waarachter de naam Carolien Hardenbol verstopt zit. Ook een oud-leerling van mij en inderdaad zijn zus. Zij woont en werkt inmiddels in de Verenigde Staten, Hanno in Nederland.

We maken een praatje. Zo’n onverwachte ontmoeting is altijd leuk, zeker als ik bedenk dat in de dertig jaar die sindsdien verstreken het verouderingsproces bij mij kennelijk nog binnen de perken is gebleven. Ik word nog steeds herkend. Pas enkele uren later krijg ik langzamerhand het beeld van Hanno in de klas weer voor ogen. Fascinerend hoe het geheugen werkt.

Natuurlijk wil Esther ons wel even met Hanno’s smartphone op de foto te zetten. Dan kan hij die ook naar zijn zus sturen. Ik voel me bijna een bekende Nederlander.

Nadat ik met Esther bij de waterlijn wat frisse zeelucht heb opgesnoven lopen we naar onze fietsen terug en rijden naar de Dwarsdijk. Met het prachtige decor van de Waddenzee volgen we het fietspad langs de dijk. Onderweg maakt Esther met mijn fototoestel wat opnamen.

Aan het eind van de middag keren we terug in Topaas. Op het terras genieten we na onder het genot van een glas wijn en wat lekkere hapjes, waarna ik me in de keuken terugtrek voor het bereiden van Lasagne.

Strand

In mijn pubertijd kwam ik alleen in de schoolvakanties en hooguit één keer per maand een weekend thuis. Naar het strand gaan was dan geen vanzelfsprekendheid. Soms bedacht ik pas de dag voor mijn vertrek dat ik er nog niet was geweest.

Bezoekers van het strand komen er om uiteenlopende redenen. Vakantiegangers kijken uit naar warme dagen om er de hele dag in de zon te bakken, afgewisseld met een verkoelende duik in zee. Kinderen vermaken zich met het bouwen van zandkastelen dichtbij de vloedlijn of met een schepnet om garnalen uit het water te vissen. Balspelen en vliegeren vormen er ook een geliefde bezigheid.

Anderen geven de voorkeur aan een flinke wandeling om eens flink uit te waaien, soms in de hoop bijzondere schelpen te vinden of zwemmende zeehonden in het water te ontdekken.

Voor eilanders ligt het anders. Er is een categorie die, zeker buiten het hoogseizoen, dagelijks wel een kijkje op het strand neemt. Dat zijn jutters, op zoek naar aangespoeld hout en andere kostbaarheden die de zee prijs geeft. Zeker na een noordwester storm kan het er zwart zien van de landrovers en aanverwante terreinwagens. Zelfs ‘s nachts…

Voor mij kan het er niet leeg genoeg zijn. Tegenwoordig zoek ik daarom het liefst het strand op als ik in het winterhalfjaar een poosje in Topaas ben. Omdat Topaas maar zo’n 500 meter vanaf de duinovergang ligt is de drempel ernaartoe ook aanzienlijk lager dan in de tijd dat “Schoonoord” nog mijn thuisbasis was.

Na de fietstocht van de vorige dag plannen we voor deze middag een strandwandeling naar West aan Zee. Esther kan dan ’s ochtends werken. Ook in haar baan vindt overleg met collega’s nu noodzakelijkerwijs op afstand plaats. Gelukkig zijn in Topaas alle nodige communicatiemiddelen voorhanden.

Er staat een stevige westenwind waardoor de drukte op het strand alleszins meevalt. Al gaat dat hier eigenlijk altijd op. Ook op warme dagen zoeken de meeste vakantiegangers een plekje in de buurt van een duinovergang. Files, zoals op de toegangswegen naar stranden van Scheveningen en Zandvoort, zijn hier onbekend.

In de verte nadert een stoet ruiters. Esther haalt herinneringen op aan een tocht op een kameel in Egypte, maar een tocht te paard over het eiland lijkt haar ook wel wat, alleen niet in een grote groep zoals hier.

In het zand schrijft Esther de eerste letter van de namen van haar kinderen en legt het resultaat voor eeuwig vast:

We lopen het pas geopende strandpaviljoen bij West aan Zee voorbij. Een aantal sportvissers probeert aan de waterkant met werphengels vissen aan de haak te slaan. Hogerop het strand is een jongeman bezig strandzeilwagens gebruiksklaar te maken. Daarbij moet hij ze wel verankeren om te voorkomen dat ze meteen door de harde wind op drift gaan.

We beklimmen een lager deel van de duinenrij om te kijken of aan de andere zijde misschien een pad is waarlangs we terug kunnen keren. Dat is echter niet het geval. Achter ons hebben we een klassiek doorkijkje naar de zee, voor ons zien we aaneengesloten begroeiing.

Met de wind in de rug lopen we terug naar het “Paviljoen West aan Zee”. We zijn wel toe aan een consumptie en melden ons bij de toegang in de hoop op een plekje buiten op het terras. Met wat geduld lukt dat en kunnen we ons laven aan bier, wijn en bitterballen. Omdat gespreksstof bij ons nooit een probleem is verloopt ook de rest van de middag onverminderd aangenaam.

Het loopt al tegen vijven als we de terugtocht aanvaarden. Vanaf het duin bij de Badhuiskuil hebben we een mooi uitzicht op dit duinmeer en het omringende gebied.

Op weg naar Topaas lopen we nog even langs Smaragd om de familie daar te groeten. De warme maaltijd die ik gepland had schuiven we maar een dag op. De bitterballen hebben niet veel aanvulling nodig.


Als ik de volgende ochtend voorstel om aan het begin van de middag bij de “Rustende Jager” in Formerum te gaan lunchen valt dat in goede aarde. Het is heerlijk weer, de zon schijnt al uitbundig. Het lijkt Esther daarom ook een uitgelezen gelegenheid voor een duik in de zee. Voor mij ligt de temperatuurdrempel om me daaraan te wagen wat hoger. Desondanks neem ik voor alle zekerheid toch maar mijn zwembroek mee.
Over de essayist en literator Menno ter Braak (1902-1940) las ik ooit een anekdote dat zijn vrienden hem wilden overhalen met hen in zee te zwemmen. Hij bedankte, zittend op een terras, voor de eer met de opmerking dat vissen ook niet aan land komen voor een glas bier. Dat argument spreekt me wel aan.

Als we die middag het strand van Hoorn bij paal 14 bereiken laat de zon het enigszins afweten. Dat weerhoudt Esther er evenwel niet van toch de zee in te gaan. Ik blijf vooralsnog op het droge.

Zwemmen in zee

Omdat de bewolking nu toch de overhand begint te krijgen gaan we maar eens een plekje zoeken bij “Kaap Hoorn“. Terwijl we daar van een consumptie genieten wint de zon toch weer terrein. Dat brengt ons er toe om nogmaals naar de zee te gaan. Esther heeft er nog niet genoeg van en gaat opnieuw te water. Ik wil me niet laten kennen en volg korte tijd haar voorbeeld. De temperatuur zat inmiddels boven mijn drempelwaarde zal ik maar zeggen.

Er is een week verlopen voordat ik mij opnieuw naar het strand begeef. Jan en Nora zijn de dag ervoor met baby Stijn aangekomen en voelen na het avondeten nog wel wat voor een gezamenlijk wandelingetje. Zo gezegd, zo gedaan. Ook nu neem ik mijn camera mee. In het avondlicht levert dat altijd wel mooie plaatjes op. Hieronder een beeldverslag.

De boei

Sinds jaar en dag ligt bij Topaas een boei. Bij mijn weten is het voorwerp vroeger door gasten op het strand gevonden en toen meegenomen naar Topaas. Het is nu een markant object in de “tuin” van Topaas. We hebben de naam van ons huisje erop geschilderd. Om te voorkomen dat de boei op termijn door omhoogschietend Gagel aan het oog wordt onttrokken maai ik jaarlijks de omringende begroeiing met de accutrimmer. De plek dient ook regelmatig als locatie voor een fotomoment.

Nu ook Stijn voor het eerst kennismaakt met Topaas mag hij natuurlijk evenmin in de serie ontbreken. Nadat ik alweer in Emmen ben teruggekeerd krijg ik enkele dagen later door Nora gemaakte “boeifotos” van Jan en Stijn toegestuurd.

Zo symboliseren deze foto’s onze hechte familieband. Waar we in de loop van de tijd ook naar toe gaan, telkens keren we terug naar Terschelling, naar Topaas.