In maart was het 10 jaar geleden dat mijn blog het licht zag. Sindsdien heb ik er volgens de statistieken 155 berichten op gepubliceerd. Ruim één per maand gemiddeld. Oorspronkelijk omschreven als een “onregelmatig dagboek” leek mij in de loop der tijd een “niet alledaags dagboek” passender. Al zit in beide formuleringen een kern van waarheid.
Bij sommige gebeurtenissen, zoals bijvoorbeeld de Oerolweken, beschrijf ik mijn belevenissen van dag tot dag; in andere gevallen, zoals over jeugdherinneringen en familiegeschiedenis, is het tijdvenster groter. De natuurverhalen waarin ik de nadruk leg op mijn vogelobservaties vertonen kenmerken van beide categorieën.
In de wintermaanden is de publicatiefrequentie doorgaans lager. Mijn activiteiten spelen zich dan voornamelijk in het hoofd af. Lezen, luisteren naar muziek, wordfeuden en mijmeren over “oude mensen, de dingen, die voorbij gaan“👈 hebben de overhand. Al wil ik met de geciteerde boektitel niet de indruk wekken dat mijn gedachten dan voornamelijk in beslag worden genomen door gebeurtenissen uit het verleden.
Ik prijs me gelukkig regelmatig omringd te worden door familie, vrienden en kennissen die volop in het heden leven. Dat blijf ik koesteren.
Leidend bij de keuze van de onderwerpen van mijn berichten op dit blog zijn de foto’s die ik maak. Het selecteren daarvan en een (naar ik hoop) beeldende beschrijving daarbij vormen een permanente uitdaging en parallel daaraan een plezierige, tijdslurpende, bezigheid. Mijn schoonmoeder zaliger zou zeggen: “aan het werk komt hij niet toe”. Een door haar bij uitstek gebezigde uitspraak bij het zien van mensen die in plaats van hun tuintje te wieden ervoor kiezen in sporttenue een rondje te rennen of hun tijd verdoen met in haar ogen andere nutteloze activiteiten.
Amsterdam (vroeger en nu)
Soms doet zich een gelegenheid voor om het nuttige met het aangename te verenigen. In verband met een bijscholingscursus van de docenten van zijn school ga ik half maart met Stijn (4) die margedag besteden aan een leerzame activiteit. In een overeenkomstige situatie ben ik een aantal maanden geleden met hem naar NEMO, het sciencemuseum van Amsterdam, geweest. (Toen Stijns vader als jongetje van een jaar of 8 met ons mee naar Londen ging vond hij “die kerk met die knopjes” – het science museum – de leukste bezienswaardigheid. Sindsdien is bij de meeste musea het besef doorgedrongen dat deze instellingen om het hoofd boven water te houden ook de jongste generatie entertainment moeten bieden.)
Deze keer kiezen we voor het Scheepvaartmuseum. Hoogtepunt is wat mij betreft de replica van een VOC-schip. Stijn krijgt maar niet genoeg van de presentatie op een enorm breed beeldscherm van de werkzaamheden rond de haven in het Amsterdam van de 17e eeuw. We bekijken de film wel drie keer.
Het eerste fragment geeft een beeld van de activiteiten op de scheepswerf.
Het tweede fragment schetst de bedrijvigheid rond de bevoorrading van een schip voor het vertrek naar de overzeese gebieden en de emoties van de achterblijvende familieleden.
Vanaf het bovendek van het schip hebben we een mooi uitzicht op de stad met de haven anno 2025.






In de kajuiten en de verblijven voor de opvarenden valt het mij op hoe laag de plafonds zijn. Stijn kan er nog staan, maar ik moet bukken om me te verplaatsen.
We bekijken in één van de tentoonstellingszalen wapentuig en scheepsmodellen maar dan is het voor Stijn wel genoeg. Op de binnenplaats gebruiken we nog een consumptie, waarna ik Stijn toch nog kan overhalen een rondgang te maken over een op kinderen gerichte interactieve expositie 👈 over de walvis. Aansluitend vermaakt hij zich nog een poosje in de tegenovergelegen zaal met de speeltoestellen bij het verhaal van duiker Doris👈. De opzet is in hoofdzaak gericht op peuters. Inderdaad is er op één kindje in de leeftijd van zijn zusje na geen concurrentie uit die doelgroep aanwezig. Voor Stijn een stimulans om met nadruk zijn vaardigheid in het omgaan met de aanwezige uitdagingen te etaleren.
De heenweg hebben we deels met de metro afgelegd, de terugweg van begin tot eind te voet. Voor Artis pauzeren we even op een bankje. Stijn vertelt me wijzend op het bolvormige bouwwerk in de dierentuin dat je daar een virtuele ruimtereis langs planeten en sterren kunt maken. Wat verderop verleidt een ijssalon ons tot een tweede stop.
Niet ver van huis wil Stijn nog even met mij bij een drogisterij naar binnen gaan. Daar komt de aap uit de mouw: een stelling is ingeruimd met speelgoed. We verlaten de winkel niet voordat de caissière een politieauto en een ambulance met sirene voor ons heeft ingepakt. Eén voor Roos, de ander voor Stijn. Thuisgekomen lukt het me niet om Stijn te laten wachten met het uitpakken van zijn cadeautje tot we Roos uit de kinderopvang hebben opgehaald.
Aan het eind van de middag zie ik daarna twee blije kindjes met ouders die daarvoor de prijs moeten betalen met het aanhoren van rustverstorende loeiende sirenes….
Drenthe
Vanaf half februari neemt de frequentie van mijn activiteiten buitenshuis rondom mijn woonplaats ook weer toe. Terug van Terschelling neem ik eerst maar eens poolshoogte van de situatie in het Bargerveen. Het gebied lijkt nog min of meer in winterslaap. Toch ontdek ik, terwijl ik naar een groep Kolganzen kijk, in de verte twee Kraanvogels. Zo naast die ganzen springt hun kolossale formaat nadrukkelijk in het oog.




Voor het overige overheerst, afgezien van het incidentele geronk van motorzagen in de verte, de stilte. Voor het broedseizoen begint moeten de onderhoudswerkzaamheden zijn afgerond.
Een paar weken later stuit ik opnieuw op Kraanvogels. Op een zondagochtend loop ik langs de rand van de boswachterij Gees als ik hun karakteristieke getoeter hoor. Kijkend in de richting van de herkomst van het geluid zie ik een drietal het luchtruim kiezen.
Mijn wandeling brengt nog meer moois als ik verderop een pad richting het open veld insla. In de verte staat een groepje mensen gewapend met kijkers en camera’s gezamenlijk in dezelfde richting te kijken. Ter plekke aangekomen zie ik wat hun aandacht trekt: vanuit de top van een boom overziet een Zeearend de omgeving. Een omstander wijst me op een tweede exemplaar dat iets naar rechts wat lager in een boom zit. Inmiddels is het tot me doorgedrongen dat ik in de Mepper Hooilanden ben beland. Via een andere route ben ik hier een paar keer eerder geweest vanwege meldingen van Zeearenden. Steeds zonder resultaat. Met de zon in de rug krijgen we nu alle gelegenheid foto’s te maken, al is de afstand voor mijn 400 mm lens nog veel te groot voor beeldvullende opnames. Vergeleken met foto’s met daarop het silhouet van een Zeearend gemaakt halverwege een fietstocht rond het Lauwersmeer👈 zijn deze plaatjes echter een sprong voorwaarts. Omdat de vogels geen moment aanstalten maken weg te vliegen besluit ik terug naar de auto te gaan om via de andere route hier weer naartoe te rijden. Met de Sonycamera die nog in de auto ligt kan ik meer inzoomen. Het is een poging waard. Bij terugkomst blijken de vogels evenwel kort tevoren te zijn overgestoken naar de ruigte aan de andere kant van de weg…





Het in maart 2024 gelanceerde tijdschrift Vogelskijken heeft me via hun fotocommunity in contact gebracht met provinciegenoot Bert Ooms. Ik plaats een reactie bij een prachtige foto van zijn hand met twee ruziënde Appelvinken:
Mooi Bert. Waarom zie ik nooit Appelvinken in Drenthe? In de ruim 40 jaar dat ik in Drenthe woon heb hooguit 2x deze soort hoog in een boom zien zitten…
Dankjewel Cor,
Ik woon in een stukje bos en daar komen ze naar beneden voor de zonnepitten. Nu zijn ze er niet, maar in de winter en in het voorjaar hoop ik ze weer terug te zien. Ik wil je wel een seintje geven als ze terug zijn, dan kun je ze hier eens komen bekijken/fotograferen.
Begin maart krijg ik het seintje waar ik op hoop. We spreken af op de dag na mijn bezoek met Stijn aan het scheepvaartmuseum.
Na de begroeting blijkt dat onze paden in het verleden ook al eens kruisten. Zoon Jan en de kinderen Ooms speelden in hun jeugd bij dezelfde korfbalvereniging. Typisch een voorbeeld hoe de situatie waarin je iemand aantreft mede bepalend is voor het al of niet herkennen. Bert had onze gemeenschappelijke voorgeschiedenis allang voor ogen.
Aan de bosrand heeft Bert een kijkhut uitgegraven vanwaaruit je gecamoufleerd vlak boven het maaiveld uitzicht hebt op een voederplaats naast een waterrijk greppeltje.
Terwijl ik uitleg krijg over het gebruik van zijn statief – in mijn onnozelheid heb ik behalve fotoapparatuur een in dit geval geheel overbodige verrekijker meegenomen en een veel nuttiger statief thuisgelaten – laat zich al even een Appelvink zien.

In de navolgende uren experimenteer ik wat met mijn beide camera’s op het statief. Het gebruik van de spiegelreflex blijkt minder handig omdat ik dan door de zoeker moet richten. Met de compactcamera kan ik het tafereel voor mij op het schermpje bekijken.
Al zit ik verscholen achter een camouflagenet, toch blijft het zaak me zo min mogelijk te bewegen. Het vereist enige oefening om te anticiperen op het gedrag van de vogels. Een Koolmees toont veel interesse voor het water. Vandaar dat ik de Nikon richt op het greppeltje. Met succes zoals onderstaande foto laat zien.

Voor deze foto vanaf een laag standpunt hoef ik zelfs niet door de knieën. In het fotohutje zit ik comfortabel op een krukje nadat ik mijn benen in de juiste stand heb gepositioneerd.
Een paar Groenlingen toont interesse voor de zonnepitten in de voedersilo. Eéntje krijg ik goed in beeld.


Ongeveer tezelfdertijd vindt een mannetje Grote Bonte Specht houvast aan de paal, gelokt door daar voor spechten bevestigde aanlokkelijke hapjes. Zoals de foto hiernaast laat zien lukt het me niet echt een haarscherp plaatje te maken. Ik verwissel nu de camera’s en wacht nu met de Sony op het statief af op wat er komen gaat.
Na verloop van tijd keert de specht bovenop de paal terug.



Nu betaalt zich het voordeel uit dat ik niet door de zoeker hoef te kijken. Bij de voederplank strijkt een Appelvink neer. Voorzichtig richt ik de camera op de vogel. Wat heeft deze prachtige vink een indrukwekkende snavel!

Hiermee is een geschikt moment aangebroken om Bert verslag uit te brengen. Zijn vrouw Ineke schuift ook aan als we onder het genot van een kop koffie in een heerlijk voorjaarszonnetje bijpraten. We blikken terug op de verstreken tijd sinds onze paden elkaar kruisten langs het korfbalveld.
Na dit aangename intermezzo ga ik nog een tijdje terug naar de schuilhut. Zo tegen het middaguur laten de vogels zich weinig meer zien. Wel maakt een badderende Koolmees voor mij de cirkel weer mooi rond.




Mede door de gastvrije ontvangst bij Bert en Ineke kijk ik terug op een welbestede ochtend. Met een eervolle vermelding voor de Appelvink.
Vanaf 1 maart is de kijkhut in het Diependal 👈 ook weer bereikbaar. Bij mijn eerste bezoek valt het me op dat er een buitentrap is geplaatst. In geval van calamiteiten is dat zeker geen overbodige luxe aangezien een lange tunnel de enige toegangsweg is. Om de drempel voor misbruik te verhogen hangt de sleutel van de nooddeur naar de vluchtweg in een brandkastje waarvan het ruitje in voorkomende gevallen moet worden stuk geslagen.
In het water waar we op uitkijken is een eilandje geschikt gemaakt voor vogels die ervan houden op kale grond tussen kiezels of schelpen hun nest te maken. Te denken valt aan sommige plevieren of sterns. Ook zijn her en der wat vlotjes neergelegd om Zwarte Sterns op zoek naar nestgelegenheid tot broeden te verleiden.
Een maand later blijkt een Grauwe Gans ook prima uit de voeten te kunnen op het eilandje. Zo te zien lijkt er in april één op eieren te zitten.

Eenden en ganzen domineren het beeld dat ik in deze periode krijg van de vogelbevolking rondom de observatiehut. Het is afwachten of de IJsvogels ook weer vlakbij gaan broeden. Naarmate we richting lente gaan laten ze zich vaker zien.
Zeldzame broedvogels als Kraanvogel en Wilde Zwaan zijn de paradepaardjes van het Diependal. Ook nu signaleren we ze regelmatig. Het “topstuk”, de Roodhalsfuut, wordt half maart verwacht. Hendrik Timmer, één van de vrijwilligers van het Drents Landschap, vertelt me dat hij er een stuk of drie heeft gezien. Later lijken ze toch weer vertrokken. Een uitzending 👈 van Vroege Vogels opgenomen op het Hijkelerveld toont echter dat die constatering voorbarig is. Voor de vogelfotograaf is het wel jammer dat ze zich bij voorkeur ophouden in een door riet grotendeels aan het oog onttrokken uithoek van het gebied.
Hieronder volgt een selectie uit foto’s die ik in de maanden maart en april vanuit de observatiehut heb gemaakt. Afgebeeld zijn Krakeend, Kuifeend, IJsvogel, Watersnip, Wintertaling, Kraanvogel, Wilde Zwaan, Oeverloper, Grauwe Gans en Zomertaling.













Behalve de Appelvink maakt ook de Snor zijn debuut in mijn verzameling vogelfoto’s. Op de 1000 foto’s van de door mij bewaarde en als boekjes ingebonden vogelkalenders is de Snor slechts tweemaal de hoofdact. Het is een indicatie van de moeilijkheidsgraad om deze vogel van het rietmoeras te fotograferen. Ter vergelijking: Blauwborst en IJsvogel mochten elk 6 maal hun opwachting maken. Al moet ik toegeven dat de twee laatstgenoemde ook wel fotogenieker zijn.
De Snor dankt zijn naam niet aan een uiterlijk kenmerk, maar aan het geluid dat zijn zang moet verbeelden. Het is een monotone lang aangehouden hoge triller die mij doet denken aan het snorrend geluid dat drones tijdens hun vlucht produceren. Grappig genoeg wordt bij het mannetje Baardman een kopstreep die iets van een snor weg heeft wel als belangrijk kenmerk genoemd.
Kort nadat ik in het Lofargebied bij Buinen op 19 april mijn eerste Blauwborst van dit jaar kan fotograferen hoor ik wat verderop een Snor snorren. Helaas blijft de vogel voor mij verborgen. Een week later waag ik een nieuwe poging. Met succes. Al vergt het wel geduld aanvaardbare plaatjes te maken. Vaak zitten bladeren of rietstengels me dwars.



Ook maak ik ter plaatse een geluidsimpressie:
Twee Putters komen aanvliegen en klampen zich vast aan de in de wind wuivende rietstengels. Eén van de twee lijkt plannen te hebben om een nest te bouwen. Of hoort het opgepikte samenraapsel in de snavel bij het ritueel om de ander te verleiden?



Rondom mijn huis komt, wat de vogels betreft, het broedseizoen traag opgang. De hele winter door hebben Huis- en Ringmussen, Kool- en Pimpelmezen, Vinken, Houtduiven, Turkse Tortels en een Roodborst zich dagelijks tegoed gedaan aan de zonnepitten, vogelpindakaas en de pindaslinger. Verder scharrelt altijd wel een Merel zijn kostje bij elkaar en zien Eksters en Kraaien hun kans schoon neergelegd fruit weg te kapen. Ik word al blij dat twee Groenlingen eindelijk ook eens komen buurten en een Zwartkop een bad komt nemen.





Inmiddels zijn Visdief, Kleine Karekiet en de Koekoek ook bij de Rietplas teruggekeerd. Een vroege ochtendwandeling in een lus langs de kanovijver en de visvijver levert me een ochtendconcert verzorgd door een Gekraagde Roodstaart, Kleine Karekieten, een Blauwborst, Tjiftjaffen, Fitissen, Grasmussen, een Koekoek en nog een keur aan andere vogels. Ze luiden de meimaand in. Vooral de Gekraagde Roodstaart die voor zijn optreden in de top van een boom is neergestreken brengt mij in vervoering.






Ik denk terug aan de tijd dat ik les gaf op de GSG voordat de school in vlammen opging👈. Vanuit lokaal N3 had ik zicht op een aantal Prunussen. In april kwam jaarlijks een Gekraagde Roodstaart tussen de bloesem met welluidende riedels zijn terugkomst melden.
Het alom bloeiende Fluitenkruid langs de route accentueert het besef dat mei is aangebroken.








Onderweg word ik vanaf een omgeploegde akker aangestaard door een sprong Reeën, samengesteld uit twee geiten en een bok. Van het mannetje is overigens weinig meer dan een glimp van zijn kop met het gehavende gewei zichtbaar omdat hij zich grotendeels schuil houdt tussen de begroeiing in een greppel.



Een paar uur slenteren brengt me terug op de plek waar de Gekraagde Roodstaart nog steeds zingt, maar nu vanuit de dekking tussen de bladeren. Een mooie gelegenheid om dan maar zijn zang vast te leggen. Het achtergrondkoor wordt verzorgd door een Grasmus, een Merel en een Zwartkop.
De volgende ochtend lukt het me met mijn andere camera nog wat foto’s van deze Gekraagde Roodstaart te maken. Wederom heeft hij dezelfde plek uitgekozen voor zijn aubade.



Terschelling
Afhankelijk van de datum waarop Pasen valt plan ik jaarlijks tussen half maart en half april twee weken verblijf in Topaas. De verjaardag van twee van mijn kleinkinderen begin april is dit jaar een complicerende factor. Ter gelegenheid van Anna’s 18e verjaardag wordt ze samen met haar jongste zus Maud die twee dagen later jarig is extra in het zonnetje gezet bij een etentje met familie en vrienden. Daarbij mag en wil ik natuurlijk niet ontbreken. Vandaar dat ik in het tweede weekend met de snelboot en de trein naar Groningen ga om de festiviteit bij te wonen. Mooi om zo ook al mijn kleinkinderen bij elkaar te zien, allemaal in een verschillende fase van hun leven. De jarigen genieten zichtbaar en de genodigden eveneens.
Na afloop neem ik de bus naar Emmen om thuis de nacht door te brengen. Zo kan ik meteen de vorderingen van de renovatie van mijn steiger in ogenschouw nemen. De oude is afgebroken en het materiaal voor de nieuwe ligt klaar op de oprit. Als ik drie dagen later ’s avonds terugkom is de klus geklaard.
Op Terschelling richt mijn aandacht zich zoals gebruikelijk voornamelijk op het vogelleven. Vanwege de straffe wind laat ik de fiets wat vaker staan en geef ik de voorkeur aan omzwervingen te voet. Zo loop ik op 27 maart door de duinen naar West aan Zee en langs de zeereep terug naar Topaas. Ter hoogte van paal 9 fotografeer ik een paar Bontbekplevieren. Ik sluit niet uit dat ze plannen hebben om hier te gaan nestelen.




Als ik de opnamen later nauwkeuriger bekijk zie ik dat één van de vogels een witte pootring draagt met de inscriptie 77. Nieuwsgierig naar zijn voorgeschiedenis voer ik de gegevens op de app BirdRing in. Zo kom ik te weten dat de vogel door Jacob Jan de Vries op 13 juni 2021 iets ten oosten van de strandovergang bij Midsland aan Zee geringd is. Daarna is hij (of zij) nog twee keer gemeld in 2024, onder andere in de buurt van paal 3.
Het water voor Topaas wordt in deze periode ook weer gefrequenteerd door groepjes Grauwe Ganzen. Sommige dragen een groene halsring met inscriptie. Het inspireert mij om die zo goed als ik kan met behulp van foto’s af te lezen zodat ik hun signalement kan invoeren op de BirdRing app. Hetzelfde kunstje herhaal ik met Scholeksters tijdens fietstochten langs de waddendijk. Begin februari 👈 hield dat mij ook al bezig. Op deze manier heb ik zo tientallen Grauwe Ganzen en Bonte Pieten kunnen terugmelden. Bij het fotograferen doet in dit geval de compositie er niet toe. Het enige dat telt is of de ringen afleesbaar zijn.
Van andere foto’s stuur ik er soms één op ter beoordeling door de moderatoren bij de Vogelskijken/Birdpix Fotocommunity van het tijdschrift Vogelskijken. Gemaakt met mijn bescheiden fotoapparatuur passeren ze meestal niet de ballotage maar levert het soms wel waardevolle tips. Eén van mijn foto’s van een Huismus in een Duindoorn vlakbij Topaas beantwoordt kennelijk afdoende de criteria en wordt zonder commentaar vooraf geplaatst.

Op de volgende foto’s is het onderwerp misschien wat beter gepositioneerd, maar omdat dat die meer een standaardportret tonen heb ik toch de bovenstaande ingezonden.



Uit eerdere jaren herinner ik mij dat omstreeks deze tijd zich bij de Stortumerdijk een specifieke locatie bevindt waar bij hoogwater Grutto’s op de basaltblokken overtijen. Ze storen zich nauwelijks aan de passerende fietsers. Op 31 maart rijd ik er rond hoogwater naartoe. Ik tref het dat ze er zitten en maak alvast wat foto’s vanaf het fietspad.




Daarna daal ik voorzichtig af en om dichter bij het water vanaf een basaltblok de vogels te bekijken. De Grutto’s trekken zich gelukkig niet veel van mij aan. Opnieuw leef ik me uit met het schieten van plaatjes.








Met name van de onderste foto ben ik wel gecharmeerd. Al had ik de tweede Grutto op de achtergrond daar liever niet gehad. Maar ja, je kunt in de natuur niet alles naar je hand zetten.
Routes lopen biedt het voordeel dat je ook op anderszins moeilijk toegankelijke plekken kunt komen. Soms vergaloppeer ik me daarbij wel eens.
Als ik op 29 maart zonder vooropgezet plan vanaf Midsland aan Zee naar de Formerumer duinen loop steek ik vanuit natuurgebied Koegelwieck via een steile klim tussen de duindoorns door het zeeduin over naar het strand. Ik volg de zeereep om ter hoogte van Hoorn het strand weer te verlaten. Onderweg vragen de fraaie uitzichten op sommige punten extra aandacht. Ik leg het vast met de camera van mijn IPhone.










Bij paviljoen Kaap Hoorn sta ik in dubio om daar eerst te lunchen of door te lopen naar het ondergelopen weiland iets verderop. Op dit moment zitten daar veel eenden waaronder misschien Pijlstaarten en Zomertalingen. Met het oog op de nu nog gunstige stand van de zon kies ik de tweede optie. Inderdaad ontdek ik tussen de Slobeenden, Meerkoeten, Wintertalingen en Wilde Eenden ook enkele Zomertalingen. Voor mij de eerste van dit jaar, al is de afstand te groot voor gedetailleerde foto’s. Niettemin geeft het weerzien alleen al voldoening.
Ik heb nog voldoende energie over om door te lopen naar Heartbreak Hotel. En passant geniet ik van het uitzicht over de waterpartijen tussen de duinen.





Nadat ik Heartbreak Hotel weer aangesterkt door een lunch verlaat wil ik in rechte lijn over het strand teruglopen naar Midsland aan Zee. Als snel blijkt dat dat plan mijn capaciteiten te boven gaat. De tegenwind vanuit het westen beneemt me de adem. Ik probeer me nog een stukje achteruitlopend tegen de wind in te verplaatsen, maar zie snel het hopeloze van die strategie in. Dus verleg ik de koers naar een route achter de beschutting van de nieuwe duintjes die op het strand zijn gevormd. Daar gaat het beter.
Ik voel de telefoon trillen in mijn broekzak. Marianne stuurt een app: Morgenmiddag thee met appeltaart.
Nu ik toch een omweg moet maken kan ik net zo goed via Hoorn lopen en daar bij Marianne een extra stop inlassen. Het moet al raar lopen als die appeltaart nu al niet gebakken is. Mijn zuster stelt me niet teleur. Ik mag bij mijn tweede stop voorproeven. Hierdoor aangesterkt loop ik langs het Liesinger Plak via het Formerumer Bos over de Landerumer Heide terug naar Topaas. Onderweg voel ik me in het bos nog een tijdje een spookloper als ik op een deel van de route geconfronteerd word met een naar schatting duizendtal tegenliggers: het zijn wandelaars die de Fjoertoer, het nachtelijk wandelevenement dat jaarlijks in het voorjaar op Terschelling plaatsvindt, lopen.

Terug in Topaas zie ik op Strava dat de app een afstand van ruim 24 km en 34.356 stappen heeft geregistreerd.
Bij mijn volgende wandelingen is de inzet minder ambitieus. Voor een voettocht over de Noordsvaarder vertrek ik vanaf een parkeerplaats bij de havenkom en volg net als in februari deels de loop van het Riviertje. Goed begaanbare voetpaden brengen me tot aan het Griltjeplak. Daarna ga ik over het fietspad door het bos terug naar het Groene Strand.








Een vergelijkbare afstand leg ik de volgende ochtend af vanuit Topaas. Lopend langs het Waterplak, Onder de Draad en El Dorado neem ik in het bos aangekomen het pad naar de Bessenschuur. Daar ga ik op het terras koffiedrinken om me op te laden voor de terugtocht. Als ik daartoe de badweg wil oversteken nadert een auto die vaart mindert. Het zijn Wim en Puck op de terugweg van een boodschap op West. De lift terug sla ik niet af. Ik heb de laatste dagen al voldoende stappen gezet. In letterlijke zin.








Het contact met andere wandelaars beperkt zich meestal tot een korte groet. Soms is er aanleiding tot een prettig gesprekje. In mijn geval vaak vanwege de camera en de verrekijker die ik meedraag. Bij de ander een hond die wordt uitgelaten. Gelukkig meestal aangelijnd.
In kwetsbare natuurgebieden is dat verplicht en daarom ook duidelijk op bordjes bij de toegangswegen aangegeven. Het verbaast mij daarom nogal als ik op de Landerumerheide tot tweemaal toe kort na elkaar een loslopende hond zie. De eerste te ver weg om opheldering te krijgen, in het tweede geval mij tegemoetkomend vergezeld van het baasje.
”Goedemorgen mevrouw! Moet uw hond hier niet aangelijnd zijn?”
”Ja.”
“Dan hebt u zeker ontheffing?”
“Nee.”
Zonder verder nog iets te zeggen loop ik maar door. Bij het verlaten van de Landerumerheide check ik voor de zekerheid of er een bordje met de veronderstelde richtlijn staat. Alleen in het aangrenzende bos zijn loslopende honden toegestaan.
Eén dag later. Ik loop ik ‘s ochtends vroeg over een karrenpad door het duingebied bij West aan Zee. Een man met twee honden, één aangelijnd de ander loslopend, komt mij tegemoet. Ik blijf stokstijf staan, terwijl de loslopende hond mij toeblaft en ik het dier strak aankijk.
“Goedemorgen meneer! Moet uw hond hier niet aangelijnd worden?”
“Bent u BOA?”
“Nee, dat niet.”
“Doet u dan mooi uw ding, dan doe ik het mijne.”
Verbluft kijk ik om, terwijl de inmiddels doorgelopen man achter mij zijn hond roept. Gelukkig hebben de meeste hondenliefhebbers wel begrip voor de beperkingen die hun op sommige terreinen worden opgelegd. Met hen verloopt de communicatie nooit stroef.
Op de fiets verzeil ik in elk geval niet in dit soort situaties. Nadat ik verspreid over een paar dagen bij Topaas dankzij hun halsringen een flink aantal Grauwe Ganzen geïdentificeerd heb vraag ik me af of er zich nu ook nog Scholeksters met kleurringen langs de waddendijk ophouden. De stevige tegenwind ten spijt fiets ik op 2 april rond hoogtij vanaf de kwelder bij Striep in oostelijke richting. Van de 11 vogels met kleurringen die ik tussen hun soortgenoten ontdek is er slechts één waarvan ik de herkomst niet kan herleiden. De bovenste kleurring zonder inscriptie die om de tibia rechts moet zitten is op de foto niet zichtbaar is. De metalen ring van het vogeltrekstation (VT-ring) is bovenaan de linkerpoot nog net deels te zien. Overigens vind ik het lastig genoeg op deze foto links en rechts te onderscheiden.

Van de overige tien heb ik er één in februari ook gemeld en blijk ik verrassend genoeg van een andere de eerste terugmelder te zijn. Scholekster BRB-G3YL is op 21 juni 2019 geringd op de Maasvlakte. Bijna 6 jaar oud. Dat zijn leuke weetjes.

Als “bijvangst” kan ik tussentijds ook nog een paar Grutto’s fotograferen. In de polder heb ik ze nog nauwelijks gezien. Hun broedseizoen begint op Terschelling kennelijk wat later.





Na de Dwarsdijk volg ik het fietspad over het begin de Boschplaat. Een koppel fraaie paarden graast op een afgerasterd stuk.





Met de wind in de rug rijd ik relaxed terug naar Topaas.
In de dagen erna zie ik nog wat schermutselingen tussen Tureluurs op de kwelder, eindelijk mijn eerste Tapuiten in de duinen van Formerum en een paartje Grutto’s in de polder bij Hoorn als teken dat hun broedtijd aanstaande is. De Rotganzen bij Oosterend hebben nog een lange reis voor de boeg.











